Geschiedenis M578

klik op de links voor meer en grotere foto's

De Pacific Car and Foundry Company of Renton, Washington, kreeg in 1956 de opdracht om een nieuw soort vuurmond te ontwikkelen met een bijbehorend bergingsvoertuig. De vuurmond en het bergingsvoertuig hadden hetzelfde chassis. Een eis was, dat het voertuig transportabel moest zijn door de lucht.

Het prototype bergingsvoertuig dat hieruit voortvloeide was de T119. Dit was een voertuig dat bestond uit componenten van de M110 en M107. De bestuurder zat links voorin met naast zich de motor.

Er waren twee typen, éé zonder kraancabine en een andere met een open kraancabine.

T119 - unarmouredDe T119 zonder cabine was alleen voorzien van een kraanarm, waardoor dit voertuig een bijzonder laag silhouet had, van 2,85 m.

De T119 met open cabine, was een voertuig waarop een cabine stond die alleen aan de zijkanten dicht was. Dit was gedaan om het gereedschap, dat aanwezig is bij een bergingsvoertuig te voorzien van een eigen plaats op het voertuig. Ook werd het voertuig voorzien van een hoofdlier die via de achterkant van de kraancabine eruit kwam en begeleid werd d.m.v. een lierschijf. Achter op het voertuig werd een tweedelige hydraulische grondschop geplaatst die men vanuit de bestuurders plaats kon laten zakken.

T119Werd de hoofdlier gebruikt, dan werd de grondschop door de trekkracht van de lier de grond in gedrukt, waardoor het voertuig als ware verankerd werd in de grond. De kraancabine kon 360 graden draaien en de boom kon tot 60 graden omhoog. De schokbrekers werden voorzien van een systeem waardoor ze star bleven; hierdoor bleef het voertuig stabiel bij bergingswerkzaamheden. Deze handeling werd verricht vanuit de bestuurdersplaats.

Beide voertuigen waren voorzien van een lucht gekoelde V8 375 pk diesel motor.

T120Na de T119 kwam de T120 dit was een prototype met hetzelfde onderstel als de T119 alleen werd er nu een geheel gesloten kraancabine geplaatst. Het was een cabine met aan iedere zijkant een deur, één voor de kraanoperator en één voor de commandant.

De kraanoperator zat rechts in de kraancabine waar zich de bedieningshendels bevonden. Beide zitposities werden voorzien van een te openen luik met periscopen. De commandant, die links in de kraancabine zat, kreeg voor nabij beveiliging een ".50".

Achter de cabine waren twee grote deuren geplaatst, die alleen van binnenuit geopend konden worden. De hoofdlier kon nu gebruikt worde via een luik onder de kraanarm.

De T120 werd verder ontwikkeld tot de T120E. Het grote verschil was echter dat de T120E werd voorzien van een vloeistofgekoelde V8 diesel motor met 425 pk, in plaats van de luchtgekoelde zoals bij de T119 en T120. De T120E werd gestandaardiseerd tot licht gewapend bergingsvoertuig M578.

De eerste voertuigen werden in 1962 gebouwd door FMC Corporation. Eind  jaren 60 was de productie afgerond. Er werden 826 voertuigen gebouwd.

In 1971 kreeg Bowen-McLaughlin-York de order om de M578 opnieuw te gaan produceren. Tot aan 1983 werden er bij BMY 1018 voertuigen gemaakt.

BMY
BMY (Bowen-McLaughlin-York)